Bestuurdersaansprakelijkheid

In zijn algemeenheid bestaan er verschillende rechtsgronden waarop aansprakelijkheid van een bestuurder (directeur) van een rechtspersoon (dat kan zijn een besloten of naamloze vennootschap, stichting, vereniging etc.) kan worden gebaseerd. Die gronden zijn grofweg in te delen als volgt:
(1) de bestuurder is gehouden tot een behoorlijke vervulling van de opgedragen taak;
(2) de bestuurder is aansprakelijk voor het faillissement van de rechtspersoon indien de bestuurder zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dit een belangrijke oorzaak is voor het faillissement;
(3) de bestuurder heeft onrechtmatig gehandeld en is voor de schade aansprakelijk, mits sprake is van causaal verband;

(1)

In artikel 2:9 Burgerlijk Wetboek is een algemene grondslag opgenomen op grond waarvan een rechtspersoon een vordering op een bestuurder kan instellen. Deze vordering komt dus alleen aan de rechtspersoon toe (of lees de curator indien de rechtspersoon failliet is).

De Hoge Raad heeft in een aantal uitspraken al geoordeeld dat slechts sprake kan zijn van onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:9 Burgerlijk Wetboek indien een bestuurder gelet op alle omstandigheden van het geval een “ernstig persoonlijk verwijt” kan worden gemaakt. Het begrip “ernstig persoonlijk verwijt” komt nagenoeg gelijk aan opzet, bewuste roekeloosheid of grove schuld. Aan de hand van de navolgende omstandig-heden wordt dit veelal bepaald:

– de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten;
– de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s;
– de taakverdeling binnen het bestuur;
– de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen;
– de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de verweten beslissingen en/of gedragingen, alsmede
– het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult;

Het is aan de rechtspersoon zelf of de curator in geval van faillissement om te beoordelen of met succes de bestuurder dan wel de feitelijke beleidsbepalers kunnen worden aangesproken.

(2)

In geval van een faillissement van de rechtspersoon beoordeelt de curator of op grond van artikel 2:248 Burgerlijk Wetboek – mede namens de schuldeisers – de bestuurder kan worden aangesproken voor de schulden van de rechtspersoon. De curator kan wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur de bestuurder(s) aanspreken. Het gaat dan om kennelijk onbehoorlijk bestuur in de 3 jaren voorafgaand aan het faillissement.

Het criterium van kennelijk onbehoorlijk bestuur is door de Hoge Raad beschreven als “geen redelijk denkend bestuurder, onder dezelfde omstandigheden zo zou hebben gehandeld”. Daarbij wordt de curator via de wet hulp geboden door een zgn. wettelijk vermoeden. Indien de bestuurder bijvoorbeeld niet heeft voldaan aan de boekhoudplicht (artikel 2:10 BW jo artikel 3:15a BW) en/of aan tijdige publicatie van de jaarrekening (artikel 2:394 BW), dan is sprake van een onweerlegbaar vermoeden dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Er moet wel worden gemeld dat bijvoorbeeld een geringe overschrijding van de termijn voor publicatie als een gering verzuim wordt aangemerkt die niet in aanmerking wordt genomen. Voorbeelden van kennelijk onbehoorlijk bestuur zijn:

– het nemen van beslissingen met vergaande financiële consequenties zonder behoorlijke voorbereiding;
– het aan duidelijk incompetent gebleken bestuurders vrijheid geven de vennootschap voor onbeperkte bedragen te verbinden;
– het verwaarlozen van de kredietbewaking en niet behoorlijk bijhouden van een loon- en bedrijfsadministratie;
– het zich niet tijdig indekken tegen duidelijk voorzienbare risico’s;

Het is niet de bedoeling om onopzettelijke domheden en beleidsfouten van een bestuurder te straffen. Hoe naïef en onverstandig een beslissing van een bestuurder ook mag zijn geweest, daarmee is nog geen sprake van een situatie dat geen redelijk denkend en handelend bestuurder van een vergelijkbaar bedrijf in en onder dezelfde omstandigheden tot die beslissing zou zijn gekomen.

(3)

Er blijft ten slotte dan nog onrechtmatig handelen over zoals bedoeld in artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek. Slechts op basis van deze rechtsgrond kan een schuldeiser een  bestuurder dan wel feitelijk beleidsbepalende functionarissen aanspreken.

De Hoge Raad heeft in een aantal uitspraken een maatstaf ontwikkelt aan de hand waarvan dient te worden beoordeeld of sprake is van onrechtmatig handelen door een bestuurder dan wel een feiteljk beleidsbepalende functionaris. Zelfs andere betrokkenen die bijvoorbeeld ten tijde van een transactie wisten dat daardoor een ernstig risico van insolventie zou ontstaan kunnen aansprakelijk zijn.

In het arrest van de Hoge Raad van NJ 1990, 286 (Beklamel) is beslist dat een bestuurder aansprakelijk kan zijn wanneer hij de rechtspersoon een overeenkomst laat sluiten met een derde terwijl hij weet of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat de rechtspersoon niet (tijdig) zal kunnen nakomen en geen verhaal zal bieden voor de schade die de derde ten gevolge van de wanprestatie lijdt. In die casus ging het specifiek om het opwekken of instandhouden van een schijn van kredietwaardigheid naar een derde. Overigens heeft de Hoge Raad al eerder uitgemaakt dat verwijtbare betalingsonwil ook tot bestuurs-aansprakelijkheid leidt (NJ 1992, 411, inzake Waning/Vliet).

Ook is in de rechtspraak herhaald dat van een bestuurder geacht wordt dat hij van de financiële situatie van de rechtspersoon zodanig op de hoogte is, dat hij kan beoordelen of de rechtspersoon in staat is om nieuwe of lopende verplichtingen na te komen. Uit de rechtspraak vloeit ook voort dat indien een bestuurder eenmaal weet of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat de rechtspersoon zijn verplichtingen niet meer kan nakomen, hij gehouden is om partijen waarmee reeds is gecontracteerd en die nog prestaties dienen te verrichten waar verplichtingen van de rechtspersoon tegenover staan, te waarschuwen dat de rechtspersoon niet langer in staat is te presteren dan wel surseance van betaling aan te vragen.

Voor de externe aansprakelijkheid van een bestuurder geldt de maatstaf dat een bestuurder in de concrete omstandigheden van het geval een “voldoende ernstig persoonlijk verwijt” treft. Dat betekent dat de bestuurder zelf een concreet verwijt moet worden gemaakt. Deze maatstaf is een zware maatstaf en komt over het algemeen eerst aan de orde wanneer de rechtspersoon zelf geen verhaal meer voor de vordering biedt.

Vragen? Neem contact op met:

Luc Tacx

Vragen? Neem contact op met:

Michel Simons

Volg ons op social media

We delen verhalen, foto's en video's over ons en ons werk.

Contactinfo

Neem contact met ons op

Vragen? Neem dan gerust contact met ons op.

Voor de verwerking van persoonsgegevens: zie onze privacyverklaring.
Je gebruikt een verouderde webbrowser

Deze website maakt gebruik van moderne technieken die niet worden ondersteund door jouw webbrowser. Update mijn webbrowser

×