Wat gebeurt er als een ondernemer stelt dat een opdrachtnemer een fout heeft gemaakt, maar daar pas ruim anderhalf jaar later over klaagt?
De Rechtbank Rotterdam oordeelde onlangs over een geschil tussen een verhuurder van luxe auto’s en een onderneming gespecialiseerd in de verkoop van velgen en auto-onderdelen van exclusieve merken (ECLI:NL:RBROT:2026:7334).
Waar ging de zaak over?
Een ondernemer verhuurde luxe personenauto’s, waaronder een Ferrari 458 Italia. In januari 2022 gaf hij een gespecialiseerd bedrijf opdracht om de achterbanden van de Ferrari te vervangen.
Kort daarna werd de auto verhuurd. Op 29 januari 2022 raakte de huurder met de Ferrari betrokken bij een eenzijdig ongeval, waarbij de auto zwaar beschadigd raakte.
De verhuurder liet de Ferrari op eigen kosten herstellen. Pas op 2 oktober 2023 stelde hij het bedrijf dat de banden had vervangen aansprakelijk voor de schade.
Volgens de verhuurder waren er fouten gemaakt bij de werkzaamheden. De linker achterband zou tegen de draairichting in op de velg zijn gemonteerd en alle vier de banden zouden op een veel te hoge bandenspanning zijn gebracht. Die fouten zouden volgens hem invloed hebben gehad op het rijgedrag van de auto en tot het ongeval hebben geleid.
Het banden- en onderdelenbedrijf betwistte dat. Ook wees het bedrijf erop dat het ongeval meerdere oorzaken kon hebben, zoals een bestuurdersfout of werkzaamheden van derden.
Daarnaast beriep het bedrijf zich op de klachtplicht van artikel 6:89 BW.
Wat is de klachtplicht?
De klachtplicht houdt in dat een schuldeiser geen beroep meer kan doen op een gebrek in een prestatie als hij niet binnen bekwame tijd klaagt nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken.
De gedachte daarachter is duidelijk. Degene die wordt aangesproken, moet nog in staat zijn om de klacht te onderzoeken, bewijs te verzamelen en zijn positie te bepalen.
Wie te lang wacht, loopt dus het risico dat zijn rechten vervallen.
Wat oordeelde de rechtbank?
De rechtbank stelde voorop dat de klachttermijn niet pas begint te lopen op het moment waarop de ondernemer zegt dat hij het gebrek daadwerkelijk heeft ontdekt. Ook van belang is wanneer hij het gebrek redelijkerwijs had kunnen en moeten ontdekken.
Volgens de rechtbank had de verhuurder, of de persoon die namens hem de Ferrari ophaalde, al bij het ophalen van de auto kunnen zien dat de band mogelijk verkeerd was gemonteerd. Die persoon was automonteur en had de wielen kort daarna ook bekeken in verband met plakresten op de velgen.
In ieder geval had het gebrek kort na het ongeval kunnen worden ontdekt, toen de schade aan de Ferrari werd opgenomen en opdracht tot reparatie werd gegeven.
De rechtbank oordeelde daarom dat de klachttermijn uiterlijk begin februari 2022 was gaan lopen. De eerste klacht volgde pas op 2 oktober 2023. Er zat dus ongeveer twintig maanden tussen.
Dat was te laat.
Waarom was dat tijdsverloop zo belangrijk?
Door het lange wachten kon het banden- en onderdelenbedrijf niet meer goed onderzoeken wat de staat van de Ferrari, de banden en de velgen direct na het ongeval was.
Ook was de auto inmiddels al gerepareerd. Daardoor kon niet meer goed worden onderzocht of de gestelde montagefout of bandenspanning daadwerkelijk invloed had gehad op het ongeval.
Volgens de rechtbank was het bedrijf daardoor in zijn bewijspositie geschaad. Het kon niet meer zelf onderzoek laten doen naar de staat van de banden na het ongeval en naar het causale verband tussen de gestelde fouten en de schade.
Het beroep op de klachtplicht slaagde daarom.
Ook onvoldoende onderbouwing
De rechtbank voegde daaraan toe dat de vordering ook zou zijn afgewezen als er geen sprake was geweest van schending van de klachtplicht.
De verhuurder had volgens de rechtbank namelijk onvoldoende onderbouwd dat de gestelde fouten daadwerkelijk door het banden- en onderdelenbedrijf waren gemaakt.
Zo ontbrak verifieerbaar bewijs van de bevindingen. Ook was niet uitgesloten dat derden, zoals een andere garage, invloed hadden gehad op de staat van de wielen of banden.
Van de verhuurder had mogen worden verwacht dat hij zijn stellingen beter had onderbouwd, bijvoorbeeld met schriftelijke verklaringen, foto’s van de eindinspectie of verklaringen van de reparateur.
Waarom is deze uitspraak belangrijk?
Deze uitspraak laat zien dat ondernemers snel moeten handelen wanneer zij vermoeden dat een opdrachtnemer, leverancier of dienstverlener een fout heeft gemaakt.
Dat geldt zeker wanneer de schade samenhangt met technische gebreken, een ongeval, herstelwerkzaamheden of een situatie die later moeilijk te reconstrueren is.
Wie eerst laat herstellen, geen onafhankelijk onderzoek laat verrichten en pas veel later klaagt, kan zijn claim verliezen. Niet omdat vaststaat dat er géén fout is gemaakt, maar omdat de wederpartij door het late klagen niet meer goed in staat is zich te verweren.
Kortom
Deze uitspraak maakt duidelijk dat snelheid en bewijs cruciaal zijn bij schadeclaims.
Een ondernemer die meent dat een opdrachtnemer een fout heeft gemaakt, moet niet alleen kunnen aantonen dát er iets mis is gegaan, maar ook tijdig klagen. Gebeurt dat niet, dan kan de vordering stranden op de klachtplicht.
Dat kan grote financiële gevolgen hebben. In deze zaak werd de volledige vordering van ruim € 100.000 afgewezen en moest de verhuurder ook de proceskosten betalen.
Vragen over de klachtplicht, aansprakelijkheid, bewijs bij schadeclaims of zakelijke geschillen?
Neem gerust contact met ons op. Wij helpen graag.