Lagere transitievergoeding als werknemer tussentijds op eigen initiatief heeft opgezegd

Werknemers hebben recht op een transitievergoeding wanneer onder andere het dienstverband op initiatief van de werkgever en/of ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever eindigt. Deze vergoeding beoogt de werknemer te compenseren voor de gevolgen van het ontslag en hem financieel te ondersteunen bij de overstap naar een andere baan. De hoogte van de transitievergoeding is afhankelijk van de duur van het dienstverband: voor ieder volledig dienstjaar is één derde van het bruto maandsalaris verschuldigd.

De bepaling van de duur van het dienstverband kan in de praktijk tot discussie leiden, bijvoorbeeld wanneer sprake is van opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten, al dan niet met tussenpozen.

Op 28 november 2025 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:1808) kort gezegd bepaald dat een eerdere periode van dienstverband niet meetelt voor de berekening van de transitievergoeding als de werknemer destijds op eigen initiatief zijn contract heeft beëindigd of de werkgever daar geen ernstig verwijtbaar gedrag aan te wijten is.

Wat speelde er in deze zaak?

Een werknemer was in juni 2011 in dienst getreden bij een werkgever en had de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2017 zelf opgezegd. Vervolgens was werknemer op 1 maart 2018 opnieuw in dienst getreden bij dezelfde werkgever.

Enige tijd later werd de werknemer alsnog ontslagen. Daarbij rees de vraag of de dienstjaren uit het eerste dienstverband moesten worden meegeteld bij het berekenen van de transitievergoeding, aangezien de onderbreking tussen beide arbeidsovereenkomsten minder dan 6 maanden had geduurd.

Wat vond de Hoge Raad?

De Hoge Raad oordeelde als volgt:

De transitievergoeding is een geldbedrag dat de werkgever verschuldigd is aan de werknemer indien, kort gezegd, de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever of als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever wordt beëindigd.

Wie zelf ontslag neemt, heeft in principe geen recht op een transitievergoeding. Daarom telt de periode van een eerder dienstverband dat door de werknemer zelf is beëindigd niet mee bij het bepalen van de totale duur van het dienstverband, wanneer een opvolgend contract met een tussenpoos van hoogstens 6 maanden wél door de werkgever wordt beëindigd, aldus de Hoge Raad.

De werknemer heeft dus alleen recht op een transitievergoeding over het tweede dienstverband bestaande uit 1 maart 2018 tot 1 december 2023.

Wat betekent dit voor werkgevers in de praktijk?

Dit arrest bevestigt dat bij terugkerende werknemers uitsluitend de dienstjaren meetellen voor de hoogte van de transitievergoeding die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten die door de werkgever zijn beëindigd of waarvan de beëindiging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dienstjaren uit eerdere arbeidsovereenkomsten die door de werknemer zijn opgezegd – of waarbij geen sprake was van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever – tellen dus niet mee.

Kort gezegd: Neemt een werknemer zelf ontslag en keert hij binnen 6 maanden vrijwillig opnieuw in dienst? Dan ben je als werkgever bij een eventueel ontslag geen transitievergoeding verschuldigd over het eerdere dienstverband.

Vragen over de duur van het dienstverband en het berekenen van de transitievergoeding?

Neem dan contact met ons op. Wij helpen je graag.

Ik zoek iets anders

Volg ons op social media

We delen verhalen, foto's en video's over ons en ons werk.

Contactinfo

Neem contact met ons op

Vragen? Neem dan gerust contact met ons op.

  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
Voor de verwerking van persoonsgegevens: zie onze privacyverklaring.
Je gebruikt een verouderde webbrowser

Deze website maakt gebruik van moderne technieken die niet worden ondersteund door jouw webbrowser. Update mijn webbrowser

×